Het
middenoor.
Aan het einde van de gehoorgang
bevindt zich het trommelvlies waarmee het middenoor begint.
Aan het trommelvlies zit de steel van de hamer (malleus)
vast, die op zijn beurt weer aan het aambeeld (incus) en de stijgbeugel (stapes)
vast zit. Deze drie worden ook wel de gehoorbeentjes genoemd. Deze beentjes
zijn scharnierend aan elkaar verbonden en zorgen ervoor dat geluidstrillingen
die op het trommelvlies terecht komen naar het binnenoor worden getransporteerd.
De stijgbeugel zit op zijn beurt weer vast aan het ovale venster: de voordeur
van het binnenoor.
De holte
waarin de gehoorbeentjes liggen wordt ook wel de trommelholte
genoemd en is met lucht gevuld.
Deze holte staat door middel van de buis van Eustachius in verbinding met de
buitenlucht.

Het middenoor, waarin de hamer,
het aambeeld en de stijgbeugel zich bevinden, moet er nu
voor zorgen dat dit geluid zonder al te veel verlies van
energie omgezet wordt in een trilling van de vloeistof in
het slakkenhuis (de cochlea). Een probleem daarbij is dat
het binnengekomen geluid over moet gaan van lucht naar een
vloeistof. Boven een vloeistof treedt een grote mate van
reflectie op, waardoor energie verloren gaat.
Om dit probleem nu zo goed mogelijk het hoofd te bieden is het middenoor als
volgt opgebouwd:
De oppervlakte van de voetplaat van de stijgbeugel is vele malen kleiner
dan het trommelvlies.
Hierdoor wordt de druk op de vloeistof in het binnenoor 30 maal zo groot als
de geluidsdruk op het trommelvlies. Er
treed een versterkende werking op door de hefboomfunctie
van de gehoorbeentjes. De beweging bij het ovale venster
is weliswaar kleiner, maar de uitgeoefende kracht is groter.
|